Een merkrecht biedt een sterk recht, feitelijk een monopolierecht op het gebruik van een teken. Tegelijkertijd gelden er bepaalde grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting waarmee iedereen rekening heeft te houden. De verhouding tussen deze rechten kwam aan bod in een merkenkwestie tussen tussen de merkhouder van Dom Perignon wijnen en een Belgische kunstenaar.

Door de kunstenaar worden schilderijen en textielproducten gemaakt waar de Dom Perignon merken in voorkomen. Deze werken worden ter verkoop aangeboden. De werken hebben vaak een ironiserende en soms ook erotische inslag.

Dom Perignon stelt dat sprake is van merkinbreuk en vraagt de rechter om een verbod. De Merkenwet verbiedt elk commercieel gebruik van een merk zonder toestemming van de merkhouder. Deze verbodsbepaling kent een uitzondering als sprake is van gebruik met een geldige reden. Kan de vrijheid van meningsuiting een geldige reden zijn en welke criteria moeten worden meegenomen in de afweging?

Volgens de rechter kan de artistieke vrijheid van een kunstenaar een geldige reden vormen als aspect van het recht op vrije meningsuiting. Hieraan zijn wel grenzen verbonden. Zo mag het gebruik er bijvoorbeeld niet op zijn gericht het merk of de merkhouder schade toe te brengen. Verder mag het niet gaan om een eenvoudige kopie van het merk zonder verdere creatie. De kunstuiting dient het resultaat te zijn van een creatief vormgevend proces.

Wat ons betreft een uitspraak om over na te spreken. Misschien had het meer voor de hand gelegen een lijn te trekken tussen de directe producties van de kunstenaar, diens schilderijen en andere producten die onder de noemer merchandising vallen. Waar ligt nu de grens tussen handel en een kunstuiting?